Reisverhalen
India Rondreis
In eerste instantie is India geen land om te beschrijven. India moet je ruiken, voelen en proeven. Vandaar ook dat ik nu pas, twee jaar terug in Nederland, de behoefte voel om mijn kladjes aantekeningen om te vormen tot een verhaal, om de herinnering aan een andere wereld levend te houden.
Een rondreis door India is hier en hier te boeken.
India
I. Chennai
Aan het eind van de nacht zetten we de daling in en komt een deken van lichtjes steeds dichterbij. Het patroon wordt doorbroken door donkere gaten die de vele sloppenwijken duidelijk op de kaart zetten. We zijn in India. Wat jaren geleden begon als de wens om een andere cultuur van dichtbij te beleven, wordt vandaag werkelijkheid. Als we uit het vliegtuig stappen slaat India zich als een deken om ons heen. In een klamme, weeïg zoete lucht volgen we de stroom naar het immigratie kantoor van Chennai. Het is niet direct duidelijk waar we moeten zijn, maar dat lijkt niemand tegen te houden om toch rijen te vormen. Met een verse stempel in ons paspoort stappen we de nacht in, die in drukte niet onderdoet voor de laatste koopavond in december. In eerste instantie is India geen land om te beschrijven. India moet je ruiken, voelen en proeven. In een boek over India las ik 'India is als een naakte hoer, alles ligt aan de oppervlakte'. En eigenlijk voelt dat vanaf het eerste begin als waar. Mijn eerste indrukken van India zijn heel vertrouwd. Het is als in een fotoboek, alles wat ik gezien en gehoord had over India klopt. De hitte, de geur van afval en specerijen, de kleuren van de sari's, de mensenzee, de daklozen slapend op de trottoirs en de heilige koeien: het is er allemaal. Terwijl de rit van het vliegveld naar het boyshome van Anbu Illam nog geen uur duurt, kan ik niet meer tellen hoeveel straathonden ik al gezien heb. Vreemd. De GGD in Nederland vertelde dat een rabiës vaccinatie voor India niet echt noodzakelijk is, want er zijn nauwelijks honden. De hartelijke ontvangst door uitzinnige straatkinderen die Marjolein en ik verwacht hadden blijft uit. Wel is er Jonathan, een andere Nederlandse vrijwilliger, die ons de eerste momenten wegwijs maakt in het gebouw. 'Jullie zullen wel moe zijn, dus rust maar even uit, dan zien we jullie straks weer,' zegt Jonathan. Als we tegen het eind van de middag onze kamer uitkomen worden we met grote ogen aangestaard. De dag is bijna voorbij. De 'shanti, shanti' manier van leven pakken we wel iets té gemakkelijk op.
Mijn eerste paar dagen voel ik me zoals de gemiddelde autist zich moet voelen. Zoveel prikkels van geur, beelden en geluid dat je er geen onderscheid tussen kunt maken. Een uurtje op en neer naar de pinautomaat is al meer dan genoeg buurt verkennen. Ik ben doodop. Tijdens dat uurtje heb ik mijn eerste wijze raad gekregen. In India loop je niet op de stoep, maar op straat. Een Indiër gebaarde ons van het trottoir te gaan. De stoep is van de pavement people, een heel andere dimensie. Daklozen die niet eens een krot in één van de vele slums bezitten doen hier alles: zitten, spelen, koken, slapen, tanden poetsen, bedelen en poepen. Dit alles ongegeneerd, out in the open. Wat een geweldig land.
Nederland is een vrij en tolerant land. We leven met een bonte mix van culturen behoorlijk dicht op elkaar. Datzelfde kan je van India zeggen. In India kan alles. Je kan er elk geloof van de wereld aanhangen en zo'n beetje elke gewoonte of gedragspatroon wordt geaccepteerd, mits je het koppelt aan een God die dat van je verwacht. In India mag je rijk zijn, en dromen van een glansrijke carrière als Bollywood actrice of verlangen naar een leven als succesvol zakenman in de Verenigde Staten. Maar in India mag je ook arm zijn, je mag al je wereldse bezittingen opgeven voor een leven als Sadhu of een hutje bouwen van datgene wat je toevallig op straat vindt. Anders dan in Nederland hoeven de Indiërs niet samen te leven, maar is naast elkaar leven al uitdaging genoeg. Met de hindoe buren die ons op het hart drukken om geen kip te eten is bijvoorbeeld nauwelijks contact. En de moskee aan de overkant met zijn islamitische bezoekers voldoet zijn godsdienstelijke plicht door af en toe soep te brengen. Zolang je je niet teveel met elkaar bemoeit, kan iedereen zijn wie hij is.
De Indiërs lijken de essentie van het leven beter te kunnen benaderen dan de gemiddelde Nederlander. Met op elke straathoek wel een godenbeeld of tempeltje en voor elke gebeurtenis in het leven een ritueel, wordt het gewone magisch in India. En wordt het dagelijks leven er minstens zo bijzonder als de vele tempels jungle's, backwaters en woestijnen. Later in onze reis zullen we merken dat zelfs een hoogopgeleide, verwesterdse taxichauffeur even een stop moet maken bij een tempeltje langs de weg. Hij offert kokosnoten, want de maandenlange droogte in het gebied kan alleen opgeheven worden door de goden nog gunstiger te stemmen.
Terwijl de moskee zijn moslims oproept voor het ochtendgebed, loop ik in mijn eerste week in India om vijf uur 's ochtends in serene rust door de straten van Chennai. Die ochtend hoor ik de oproep voor het ochtendgebed voor het eerst. Wat een indrukwekkende gewaarwording om de geluiden van een andere cultuur zo aandachtig op te nemen. Dit is iets wat ik niet van thuis ken, maar ook niet van de vele foto's van India die ik gezien heb. Ik geniet van het ritmische gebed terwijl ik met Munniapenn en Hannah naar central station ga, waar Munniapenn als social worker elke ochtend van vijf tot twaalf zijn best doet om verloren straatkinderen een perspectief te bieden, gewapend met zijn eigen levenservaring opgedaan in de straten van Kolkatta en vijf talen vloeiend sprekend (Bengali, Tamil, Kannada, Hindi en Telugu). Zijn weliswaar gebrekkige Engels heeft hij nog niet eens meegerekend. Aangekomen op central nemen we eerst onze morning-chai bij een streetstall. Een heerlijk zoet goedje met zoveel mogelijk kardamon, kaneel, gember en kruidnagel zwevend tussen de melk, zwarte thee en bergen suiker. De nationale drank van India waar je altijd vrienden mee maakt. Omdat het in van die kleine kopjes geschonken wordt kan iedereen wel een chai betalen. En door de explosie van kruiden is het een echte oppepper voor iedereen die zich niet alle maaltijden kan veroorloven.
Vervolgens wachten we. We wachten tot de volgende trein binnenkomt. Wachten tot Munniapenn een mogelijk straatkind ziet. Wachten tot Munniapenn gezien heeft of dit kind werkelijk alleen is. We wachten afwisselend in stilte, en met de vele vrienden in de vele posities die Munniapenn in zijn leefruimte, het central station gemaakt heeft. En we wachten, terwijl we elkaars werelden delen in gebrekkig Engels. Munniapenn verontschuldigt zich voor het slechte Engels dat hij spreekt. Maar de stilte, zijn passie voor zijn werk en doordachtheid in zijn handelen zeggen genoeg. Deze ochtend leert mij waar het in India om gaat: religie is overal, men heeft de tijd en de wereld draait om mensen.
Anbu Illam bestaat uit verschillende gebouwen. Het boyshome waar we slapen is zonder twijfel het meest opvallende. Een grote witte blokkendoos van drie verdiepingen, die als je de brug overkomt al groots aan de horizon prijkt. Het contrast met de nauwelijks zichtbare rivier, vervuild en wat minder vloeibaar door hoopjes afval en de nodige begroeiing, is bijna on-Indiaas. Aan de voet ervan kom je in een wirwar van straatjes, kleine huisjes, sloppen. Een wijk die geen naam gekregen heeft, althans niet één die door de postbode gevonden kan worden. Het enige andere gebouw wat eruit springt is dat van de grootste en meest beruchte crimineel van Chennai. Berucht vanwege de road-blocks, die mensen in een fuik drijven om hen vervolgens te beroven van alles dat ze op en om hun lichaam dragen. Goddank hebben wij dat niet meegemaakt.
Naast het boyshome, waar de jongens min of meer permanent verblijven, is er Rayapuram, waar ze de eerste drie maanden zijn om aan een dagstructuur te wennen. Ook is er het kantoor, vlakbij central station. Hier huist de Child Helpline, het best te omschrijven als de Indiase kindertelefoon, verblijft directeur Father Alphons en worden zojuist opgepikte straatkinderen de eerste uren opgevangen. Al deze plekken zijn uitgedruppeld over de stad, wat reizen ertussen tot een ware onderdompeling in de Indiase straatcultuur maakt. En dit is een klein genot. Op geen enkele andere manier ontdek je het ware India beter dan door met een rickshaw als een mier door een miljoenenstad te kronkelen, en het leven van alledag te bewonderen. De belangrijkste locatie voor ons is het girlshome. Een kleine, maar knusse plek in een levendige buurt, waar veertig straatmeisjes wonen. Elke dag fietsen we erheen; ik aan het stuur, Marjolein achterop. Om de drukte van zoveel kinderen om je heen te ontvluchten rusten we uit op het dakterras. Aan het eind van de middag hangen de vliegers hoog in de lucht en is er de lucht van zoete kruiden en brandend afval. Verder niets.
Bij Anbu Illam zijn de mensen katholiek. Maar dat weerhoud ze er niet van om het suikerfeest ook te vieren. Alle meiden hebben van sponsors, hoogst waarschijnlijk welvarende moslims leerden we later, een prachtige nieuwe jurk gekregen. Zoals ieder ander meisje ter wereld willen zij ook het liefst een roze, en wordt hier en daar een traan gelaten als het een groene is. Met als groot verschil dat hier twaalfjarigen huilen om de kleur van hun jurk, in plaats van de driejarigen in het westen. Tijdens het feest ontmoeten we Father Alphons voor het eerst. Terwijl iedereen op de grond zit, binnen op de betonnen vloer of buiten in het zand, worden voor hem en voor ons de enige paar stoelen die ze hebben gehaald. De hapjes, gemaakt van heel veel ghee en suiker, met een velletje bladgoud versierd, worden keurig op onze thali gelegd, naast de sambar met rijst. Verschil moet er zijn. Father Alphons is een man van stand, zoveel is wel duidelijk. Een echte brahmaan. Met extra hapjes.
Met hem hebben we een wonderlijk gesprek over het geloof. Hij begrijpt ons wankele geloof en het gebrek aan een God in ons leven niet. 'Hoe kun je leven zonder religie, je kan toch niet ademen zonder lucht?', zegt hij. Onze wanhopige pogingen om uit te leggen dat je ook een goed mens kan zijn, met dezelfde normen en waarden, zonder religie zijn tevergeefs. Voor de essentie van geloven moet je naar een plek als India waar religie tot de eerste levensbehoeften gerekend wordt. Een plek waar religie nog voor schoon drinkwater en gezonde voeding komt. Naar mensen die slechte levensomstandigheden als gevolg van het weer, interpreteren als hun eigen onvermogen om de goden tevreden te houden.
In Nederland geloven de mensen ook wel. Maar kan je werkelijk geloven zonder religie? 'Waar geen tempel is daar kan je niet wonen,' zegt een Tamil spreekwoord.
Op dit soort momenten merk ik dat dit is waar ik voor kom. Ik ben niet in India om op een straatkinderen project te werken. Niet om met de kinderen te spelen, ze naar school te brengen, te helpen met hun huiswerk, het gevoel te krijgen dat ik iets goeds doe of dat ik verschil maak. Dat is allemaal maar bijzaak, een manier om me te mengen in het dagelijkse leven van de Indiër. Boven alles wil ik voelen wat het is om al je normen en waarden los te moeten laten omdat ze in deze nieuwe omgeving onbruikbaar zijn. Ik wil zien wat andere mensen denken en geloven. Zouden we iemand anders zijn als we in een andere culturele traditie opgegroeid waren?
II. De paden op
Het verschil tussen arm en rijk is misschien wel de grootste ongelijkheid die de mens geschapen heeft. Een ongelijkheid die zelfs voor het jongste kind niet onopgemerkt blijft. Wanneer ik samen met Anandi in de tuin van het girlshome tekeningen maak in het zand en onze handen daarbij vies worden, twijfelt zij geen moment. Ze pakt mijn hand met haar handjes, en zonder me aan te kijken smeert ze mijn vieze vingers schoon aan haar kapotte, al vieze broekje. In haar derde levensjaar kent ze al keurig het onderscheidt. Naast extreem ongelijk, voelde ik me ook extreem gelijk aan deze meisjes. Een van mijn mooiste herinneringen aan het begrip 'thuis' is die dag, dat ik in Chennai mijn slippers kwijt was. Ik zocht ze overal in het girlshome totdat ik ze terugvond in een hoek bij de poort. Een van de meisjes had mijn slippers keurig tussen die van hun gezet na duty time. Als een echte gelijke, in plaats van een buitenstaander te gast. En ik denk dat deze twee voorbeelden tekenend zijn voor mijn zes maanden in India. Voortdurend werd ik heen en weer geslingerd tussen het zien van verschillen met Nederland en de gelijkenis tussen mensen waar dan ook.
De gemiddelde Indiër is erg trots op zijn land en gebruiken. Wat betreft haardracht wordt onderscheidt gemaakt tussen 'American hair' (haar geknipt in laagjes, wat los hangt) en 'Indian hair' (keurig op één lengte, vaak in een halve staart en vervolgens gevlochten met een speld, en vaak ook bloemen en kokosolie erin). Voor veel Indiërs ben je pas mooi als je op een Indian girl lijkt. Zo vind ook iedereen op Anbu Illam. Father Ratchachados geeft me complimenten als ik een churidar draag, de kinderen lenen ons Indiase sieraden als we op de foto gaan en Danish merkt op dat mijn haar anders geknipt is dan dat van Indiase vrouwen. Wanneer ga ik naar de kapper? Want die kan het wel anders knippen vind hij. Zelfs zwervers in India zien er netjes uit; gekamd haar en bangles, weliswaar van het goedkoopste plastic. Als zij er even vies en kapot uitzien als westerse zwervers, dan weet je meestal wel hoe laat het is. Ze conformeren zich hiermee aan wat westerlingen van zwervers verwachten, om zo meer geld op te halen tijdens het bedelen. Toppunt van Indiaas nationalisme bleek toch de Taj Mahal te zijn. Dit werd ons vertederend duidelijk tijdens een bezoek aan het graf van Mohammed Akbar. We raakten in gesprek met een man over onze ervaringen in India. We konden het niet over ons hard verkrijgen om alleen maar positief te blijven. We vertelden hem dat we eraan dachten om niet naar de Taj te gaan, maar hem te boycotten. Dit vanwege het absurde prijsverschil tussen wat Indiërs en buitenlanders moeten betalen. Voor Indiërs kost een kaartje een paar rupees, voor buitenlanders 15 euro. De man vond dit zeer zorgelijk want we konden India beslist niet verlaten zonder de beroemde prachtige Taj te zien, zijn Taj. Hij stelde voor om ons ticket te betalen. Na wat rekenen kwam hij tot de conclusie dat hij net genoeg kon missen door een voorschot op zijn loon te vragen. Het enige probleem was dat hij zijn ouders dan die maand geen geld kon sturen.
Indiase kinderen zijn gehard tegen fysieke pijn (ik denk aan Kasi met zijn ontstoken teen), maar lijken mietjes als het gaat om geestelijke pijn. Ze huilen vergeleken met Westerse kinderen heel snel als ze zich benadeeld voelen of niet krijgen wat ze willen. Alle eerdere tegenslagen in hun jonge leventje als straatkind hebben hier niets zichtbaar aan veranderd. Hun harde ervaringen hebben hen niet sneller volwassen gemaakt en ook niet geleerd te zwijgen. Wie weet wat hun ouders ervaren hebben, en welke gevoelens en gedachten al generaties lang overgedragen worden. Zou dat een verklaring zijn voor het vele openlijke geweld in India? Het lijkt wel alsof geen enkele Indiër weet om te gaan met emotionele tegenslag. Al maakt mijn culturele blik misschien dat ik de feiten niet op waarde schat. Zoals Indiërs fysieke kenmerken vanuit hun culturele blik bekijken als ze zich ernstig zorgen maken om een simpele blauwe plek. Een kind met een schimmelinfectie zei na het zien van mijn vele muggenbulten zelfs 'you have a disease.' Veel Indiërs maken zich al snel zorgen als een blanke wat mankeert. Hoe kan dat ook anders, als we zoveel anders doen dan hen en zelfs ons lichaam anders reageert? Geen wonder dat we de twijfelachtige eer hebben dat 'white people fragile' zijn. Je zou misschien ook vermoeden dat een wat voller lichaam als gezond en welvarend gezien zou worden. Nou nee. De niet alleen wat vollere, maar vooral ook aan fors overgewicht lijdende Hannah was vaak het mikpunt van pesterijen. Als ze in de buurt was werd vaak een olifant geïmiteerd. Een olifant is ook groot, plomp en dik. In het Tamil jani, Ganesh, de beschermgod van Chennai en dus ook een scheldwoord. Maar dat hebben ze niet eens van ons geleerd. Op het gebied van gezondheid verwonderden we ons wel vaker. Zoals in Yennore, het uiterste noorden van Chennai waar we bij een cursus voor social workers mochten zijn. De cursus werd gegeven door een Nederlandse en een Engelse trainer, de trainees allemaal social workers uit Tamil Nadu in het zuiden van India. Het ging met name over hoe je aidsvoorlichting, en daarbij horend seksuele voorlichting overbrengt op straatkinderen. Dit werd gedaan aan de hand van mindgames, energizers en rollenspellen doorspekt met informatie. Het resultaat was duizelingwekkend: volwassen mensen met een opleiding in de geestelijke gezondheidszorg waren er van overtuigd dat een arts onder dezelfde omstandigheden als een straatkind minder kans heeft om aids te krijgen, dat je deze ziekte bijvoorbeeld krijgt door te zwemmen in hetzelfde water als een besmette patiënt en dat je zo'n kwetsbaar kind het beste helpt door vanuit een andere hoek van de ruimte te schreeuwen 'wat heb je?' Voor mij onvoorstelbaar, maar goed, wat zouden de deelnemers er van opgestoken hebben? Jeyanthi, een van de social workers, had geen idee. Omdat ze het woord sex zo vaak hoorde had ze haar oren maar dichtgedaan, voordat ze verpest zouden worden door dit verderfelijke taalgebruik. Bij de Shankar Foundation in Darjeeling merkten we juist een hele grote behoefte aan westerse kennis bij het geven van voorlichting en ondersteuning bij aids. Vol oprechte interesse hoorden ze graag hoe wij het werven van sponsors, het bereiken van de juiste doelgroep en counseling aanpakken in ons land. Maar goed, zij hadden daar dan ook zelf om gevraagd, terwijl de cursisten in Yennore de dag lijdzaam moesten ondergaan.
Op de weg is India een land van extremen, verschillende eeuwen naast elkaar. Luxe auto's met geblindeerde ramen wisselen de ossenkarren af, met daartussen elk voertuig dat je je kan bedenken. En net als de mensen, zijn ook de voertuigen er gelaagd. Het voertuig dat je vervoert, geeft je stand aan. De allerarmsten lopen, achtereenvolgens de ossenkar, de fiets, de brommer, de motor en de auto. Al gauw begrijp ik dan ook waarom mensen zo raar opkijken, om twee blanken op één fiets te zien. Fietsen doe je niet omdat je het leuk vindt, maar omdat je geen beter vervoer kan betalen. Lachen is het wel. Want mijn angstige blik in het chaotische verkeer zorgt ervoor dat ik overal voorrang krijg, mensen geven me overal de ruimte. Het duurde voor mij even voordat ik door had dat je helemaal geen verkeersregels nodig hebt als je een systeem hebt zoals in India: je zoekt oogcontact met de weggebruikers om je heen. Degene die het snelst is en het behendigst door de menigte manoeuvreert, gaat eerst.
Soms raak je in het verkeer letterlijk verlicht, zoals toen we de toytrain namen in Ooty. De trein heet toytrain omdat ie, zoals de naam al zegt, het formaat heeft van een speelgoedtrein. En daar passen niet evenveel mensen in als in een Nederlandse trein. Of toch wel? De Indiërs vonden het in ieder geval de moeite waard om te proberen. Zoals altijd hadden we een second class ticket en probeerden we net als de Indiërs om ons heen een plekje te bemachtigen in de veel te kleine trein. Al crowdsurfend werd ik de trein ingezogen, en was niet meegaan al snel geen optie meer. Ik weet niet wat ik noemenswaardiger vindt; het prachtige uitzicht op het theeplantage landschap, of deze merkwaardige manier van instappen. In al onze onschuld hadden we zelfs een zitplaats bemachtigt!(weten wij veel dat zakdoekje leggen in India betekent 'deze stoel is van mij') Wat me wel duidelijk werd is dat Indiërs alles doen om hun situatie te veranderen als ze denken dat dat mogelijk is. En volgens mij berusten ze er ook sneller in dan wij Westerlingen als er niets te veranderen valt.
Toytrains hebben blijkbaar iets magisch, zo ook die in Darjeeling. We kregen te horen dat ie niet elke dag ging, en alleen zou vertrekken als er minimaal vijf passagiers waren. Toen we er vijf hadden verzamelt, bleek ook dat geen harde eis te zijn. Ach, ik genoot wel van mijn ten seconds of fame; voor het eerst in mijn leven sprong ik in een rijdende trein. Een Engelsman raakte blijkbaar minder verlicht van deze ervaring. Het enige wat hij deed was mopperen. Op de zoveelste keer in India dat de realiteit andere plannen had dan hij, en hij zonder aanwijsbare reden niet van dit moois mocht genieten.
Soms gaan treinritjes juist voortvarender dan je mag verwachten. Zo is het in Nederland heel normaal dat je in een trein waar reserveren verplicht is, ook daadwerkelijk moet reserveren. Geen enkele keer hebben we gewacht totdat er na dagen weer kaartjes beschikbaar waren naar onze volgende bestemming. We kwamen er namelijk al snel achter dat je dat in India anders aanpakt. Je koopt een second class ticket en kan die in de trein bij de hoofdconducteur upgraden naar een sleeper class ticket. In een treinrit van meerdere etmalen komt het namelijk maar zelden voor dat iederéén meegaat van A naar B.
Als je kijkt naar de omgang met geld en luxegoederen, wordt pijnlijk duidelijk waarom India niet tot de eerste wereldlanden behoort. Je zou verwachten dat straatmeisjes die vrijwel niks bezitten, heel zuinig omgaan met het beetje wat ze krijgen. Niets is minder waar. De meesten geven het geld dat ze hebben uit als water, om vervolgens tot de conclusie te komen dat ze tekort hebben. En de kinderen van Anbu Illam worden kwaad als ze niet meer geld krijgen. Het lijkt haast wel alsof ze vinden dat ze recht hebben op wat hen niet toebehoort. Uitzonderingen zijn zeldzaam. Zo stelde Padma voor om het geld voor haar verjaardagscadeau in een andere winkel te besteden, omdat ze dan naast een haarspeld ook oorbellen kon kopen. Of de vertederende Illumni. Hij hoefde niet perse mijn fotocamera als afscheidscadeau, zoals veel andere kinderen aan me vroegen. Hij vroeg als afscheid alleen om een foto van ons samen. Na een aantal maanden dacht ik wel gezien te hebben welke rol geld speelt in de Indiase maatschappij als een blanke westerling zich aandient. In Kerala haalde ik daarom een grapje met geld uit. Dacht ik. Een rickshaw driver bood ons in het niet al te grote centrum van Cochin een ritje aan. We hadden het niet nodig en wisten inmiddels hoe dat werkt als een driver insteekt op een lage prijs: je gaat wat shops zien met handwerk. Als een driver daar met blanken aankomt krijgt hij commissie. Dus ik zeg dat we instappen als we de helft van zijn commissie krijgen. Tot mijn grote verbazing zegt hij ja! Met zo'n opmerking maak je wel duidelijk dat je het systeem kent en je niet voor de gek laat houden. En daar had deze man kennelijk wel oren naar: een middagje vermaak met twee toeristen. Wat had hij te verliezen?
De rijken hebben 'karma' nodig om het verschil tussen arm en rijk in stand te houden. Hilarisch is dat de armen op hun beurt ook weer handig gebruik lijken te maken van ditzelfde begrip. In Varanasi kan je aan de ghats van de Holy Ganges, tegen betaling vogeltjes vrijlaten uit hun kooi. Dit gebaar zou tot good karma leiden voor de gulle gever. En degene die de arme beestjes opgesloten heeft dan? Misschien verlost hij zich van zijn bad karma door zijn dagelijkse bad in de Ganges, wetend dat de goden ons van al onze schulden zullen verlossen. Geloven of een religie aanhangen, verlicht je niet vanzelfsprekend. In auroville, bij guru Amma en in de Ghandi ashram was ik niet zo onder de indruk van hun leer en had ik niet de indruk dat die mijn leven voorgoed zou kunnen veranderen. Ik geloof niet dat mensen vrij kunnen zijn van religie, kaste, nationaliteit, cultuur en sociaal-economische verschillen. Ik geloof niet dat iedereen evenveel van iedereen kan houden. Ghandi bevestigt dat, want ook zijn denkbeelden pasten in zijn tijd; zo vond hij bijvoorbeeld dat vrouwen niet studeerden, dat was iets voor mannen, ontdekten we in zijn ashram. Wat ik er leerde is dat op elke plek mensen variëren in hun mate van persoonlijke en spirituele ontwikkeling. Ook in een spirituele omgeving vindt niet iedereen in hetzelfde tempo en zonder twijfel, de verlichting.
Tijdens mijn tijd in India heb ik talloze kleurrijke mensen ontmoet. Het liefst zou ik ze allemaal omschrijven. Toch zijn een aantal personen me extra bijgebleven.
Father Ratchachados: 'The world is ours, time is ours', een quote van hem die ik nooit vergeet. Tijd is datgene wat je er zelf van maakt. Waarom zou je je druk maken om een oorlog die ruim zestig jaar geleden plaats vond, als er elke dag soortgelijk leed plaats vind ergens op de wereld? Of zoals Ratcha zei 'we need a second Hitler'. En waarom zou je je druk maken om het werk van morgen, als je vandaag lol kunt hebben? Veel straatmeiden waren dolblij dat deze geliefde priester meeging op ons uitje naar het strand. Sommigen hadden nog nooit de zee gezien. Anandi vond bijvoorbeeld dat ze er wel kon blijven wonen. Zo mooi vond ze het. Haar negen jaar oude zusje zou dan wel voor haar zorgen...
Munniapenn: Je vol passie en bezieling inzetten voor het lot van een ander. Altijd met een lach en zonder de lichtheid van het leven uit het oog te verliezen. Blijven dromen, al doet het soms pijn om je dromen aan de realiteit getoetst te zien worden. Al spaart hij zijn leven lang, waarschijnlijk lukt het niet om genoeg geld bij elkaar te krijgen om een paspoort te kopen. Dit is slechtst de eerste drempel die een leven als maatschappelijk werker in Amerika onmogelijk maakt.
Embarrasan: de betekenis van vriendschap. Je liefdevol verplaatsen in de gevoelens en de eenzaamheid van de ander, daarnaast smeken om kerstcadeaus en uiteindelijk vol schaamte inzien wat geld en hebzucht allemaal kapot kunnen maken. Een van de teleurstellingen in mensen, was de les dat in India vriendschap een andere betekenis heeft. Vriendschap heeft hier niet altijd met trouw of wederzijds respect te maken. Misschien wel door het klassen bestaan in India, kan de ene vriend het als vanzelfsprekend ervaren om van de andere vriend allerlei materiële voordelen te ontvangen. Als Nederlander voelde ik me gebruikt, met name die eerste keer, maar ik denk dat veel Indiërs het als volstrekt normaal beschouwen.
Andere ontmoetingen zijn het best te vatten in een enkele quote.
'Ik geloof niet in God, maar God is wat ik geloof' van Jonathan, onze mede vrijwilliger, welke weinig uitleg vraagt.
'Now I can have nice lunch with chicken' door de bewaker van het tribal museum in Ooty. De onderzoekers waren op dat moment niet aanwezig, dus helaas konden we geen rondleiding krijgen, vertelde hij. Terwijl we rond liepen had hij echter over elke vitrine een verhaal. Hij verontschuldigde zich voor zijn gebrek aan kennis vanwege zijn analfabetisme, maar ondertussen bracht hij het museum tot leven. Toppunt was dat hij wel een foto wilde maken van ons, tussen de beelden. En of we dan achter het hek konden gaan staan, want dan kon hij een mooiere foto maken! Als dank gaven we hem een fooi, en zijn dank daarvoor was een onvergetelijk citaat.
'I'm from no country, I'm from the world' riep een willekeurige man op het strand. Zijn aandacht werd getrokken doordat ik met Anandi in mijn armen liep. Voor Indiërs geen alledaags gezicht, een rijke blanke met een donker Indiaas kind op de arm. Toen ik hem vanwege zijn perfecte Engels vroeg waar hij vandaan kwam kreeg ik dit als antwoord.
'I'm ashamed of my people' door een Indiase priester in Bijapur. Dit was zijn antwoord nadat we vertelden dat we ons een dag opgesloten hadden op onze hotelkamer, met wiskey en films, omdat we de duizenden 'what is your name, what is your country, one chocolate, one pen's' en de ontelbare ongewenste aanrakingen helemaal spuugzat waren. Niemand laat je met rust, niemand laat je in je waarde. In India is ieder individu publiek bezit. Dat geldt extra zo als je een blanke vrouw bent met blond haar en borsten.
Waarom je als blanke vrouw als publiek bezit beschouwt wordt, werd op een avond wachten op het treinstation pijnlijk duidelijk. We doden onze tijd met een andere 'foreigner', een Fransman. Na een tijdje komt een Indiase vrouw ons vergezellen, en je zou haast niet opmerken dat ze uit deze cultuur komt. Ze praat, ze lacht, ze kijkt ons om beurten aan, stelt vragen en behandelt ons als groep, in plaats van als twee vrouwen begeleidt door een man. Al snel hebben we het door. Terwijl de vrouw steeds meer contact met onze naïeve Fransman maakt, en een publiek van Indiase mannen zich breed lachend om ons heen verzameld, fluisteren we in zijn oor: 'ze is een prostituee'.
Het is soms even opmerkelijk als onbegrijpelijk hoe mensen in India met elkaar omgaan. Ik heb er de meest grove en meest lieve mensen ooit ontmoet. Van mannen die naar je kruis grijpen en bij je in bed komen liggen in een slaaptrein, priesters die na een vriendschappelijke Puja ter verwelkoming van je bezoek aan hun tempel je opeens achterna zitten om 200 rupees af te troggelen, tot mannen die vanaf hun motor zo bij je in de rickshaw stappen om de driver de weg te wijzen en de slumvrouw die ons vroeg haar pasgeboren baby een naam te geven.
De tegenstellingen in relaties zijn immens: aan de ene kant speelt hiërarchie en hechtheid een wezenlijke rol in India, maar daarnaast werd met grote onverschilligheid gereageerd toen we vol ontzetting vertelden dat we een menselijke schedel zagen drijven in de rivier naast Don Bosco Anbu Illam. Zoiets zet je aan het denken over de waarde van een mensenleven. Mijn verklaring blijft ergens in het midden tussen het karma van het hindoeïsme (de ander helpen is vanzelfsprekend, want is jezelf helpen) en de culturele en economische noodzakelijkheid van familiebanden (je moet wel met elkaar, of je wil of niet).
Maar misschien leven Indiërs juist wel met zovelen relatief vreedzaam omdat ze in feite naast elkaar leven in plaats van met elkaar. Iedere religie en kaste kent zijn plaats, en door hiervan af te wijken maak je meestal geen vrienden.
Opvallend is dat bankiers en militairen over het algemeen de meeste interesse in en het meeste begrip voor westerlingen hebben. Wellicht door hun reizen en ontmoetingen met andere vreemdelingen, hebben zij hun wereldbeeld het meest verruimd.
De meest magische momenten in India waren toch wel die momenten dat we met mensen in gesprek raakten over de verschillen tussen elkaars wereldbeeld. Terwijl we in Chennai in een rickshaw langs de dierentuin reden, zagen we een betonnen dino staan. De driver vroeg ons bloedserieus of die beesten misschien in ons land leefden, want hij had ze in India nog nooit in het echt gezien. Toen we vertelden dat de dinosauriërs al miljoenen jaren uitgestorven waren, was hij ronduit verbaasd.
Ook hoogopgeleiden Indiase jongeren worstelen met de (on)waarheden van het westerse wereldbeeld. In Hyderabad vroeg een groepje technische studenten zich af of het klopte dat alle westerlingen de hele dag wijn drinken, brood eten, hun ouders verlaten op hun 18e om alleen te gaan wonen met een stel vreemden, en dat de overheid je inderdaad geld geeft als je ziek bent en niet kunt werken. Niet zozeer het soort vragen, maar de manier waarop ze die stelden bracht hun compleet andere wereldbeeld aan het licht. Alsof een stel kleuters aan de juf vraagt hoe de kabouters leven. Ik kreeg dan ook veel publiek toen we tijdens een tentoonstelling een afbeelding van de evolutie volgens Darwin tegenkwamen, en ik uitleg over hem gaf. Een enkeling had wel eens van de naam gehoord, en gokte dat hij een kunstenaar was. Maar zeker tien volwassenen stonden met open mond te luisteren toen ik vertelde over de evolutietheorie. Ze hadden er nog nooit van gehoord.
Van een andere toerist hoorden we het meest opmerkelijke voorbeeld van het hebben van een ander wereldbeeld. Zij ging met een aantal mensen uit een dorp in centraal India op bezoek bij een volgend dorp. Een plaatselijke dorpsbewoner, vroeg aan haar, kijkend naar haar blanke huidskleur 'kom jij uit het volgende dorp omdat je er zo anders uitziet?' Nee zei het meisje, ik kom niet uit India maar uit een klein land in Europa. 'Wat is India?' vroeg de vrouw haar. Haar besef van ruimte omvatte letterlijk niet meer dan haar eigen dorp, en ze had dan ook geen idee wat India was, laat staan wat het concept land betekende.
Hartverscheurend was de manier waarop met dieren wordt omgegaan in India. Zij staan op de allerlaagste plaats, want de beste incarnatie die je kan krijgen is een menselijk bestaan. Ontroerend vond ik dan ook de manier waarop sommige Indiërs de dieren om hen heen een waardig bestaan geven.
Zo verzamelen veel straathonden zich rond sluitingstijd met hun hele familie bij hun vaste restaurant. Veel restaurant eigenaren zijn geraakt door de haast menselijke manier waarop de honden soms geborgenheid zoeken, en bieden hen elke dag de restjes van de dag aan. Ikzelf was ook geraakt door veel van deze honden, die op het strand in Goa zelfs letterlijk tegen je aan komen liggen op je handdoek. Zonnebadend net als jij, om gezellig de warmte op te zoeken. Hoewel ook bleek dat ze 's nachts in hun territorium in monsters kunnen veranderen. Dat hebben onze Chennaiker buren wel gemerkt, toen we 's nachts plotseling in hun tuin stonden om een roedel grommende honden te ontwijken.
In Thepakkadu maakten we een jungle tochtje op de rug van een olifant, waar ik al dagen naar uitgekeken had. Wow, we gaan op een olifant! Ik vroeg de eigenaar van deze werkdieren of hij dacht dat de olifanten gelukkig waren. Dit omdat me opviel dat ze in de jungle verveeld takken van de bomen rukten, om deze vervolgens zonder er naar om te kijken weer op de grond te laten vallen. 'Nee', zei de eigenaar, 'ik denk niet dat ze gelukkig zijn. Ik denk dat ze zelfs heel ongelukkig zijn. Maar gelukkig kan ik voor ze zorgen, dan hebben ze een beter leven dan bij andere eigenaren, die de dieren uitputten om de toeristen gelukkig te maken'.
Hoe lang ik ook in India was, het land bleef me tot de verbeelding spreken. In het dorpje Lonar bezochten we een meteoriet krater. Althans, in de ogen van ons westerlingen. Indiërs denken daar heel anders over. Veel waarschijnlijker had Shiva op die zelfde plaats gevoetbald, lang geleden, en er zijn bal laten vallen. Interessant detail is dat dit niet onder de mythologie valt, nee dit heet geschiedenis. Op andere fronten gaan Indiërs weer heel opmerkelijk met geschiedenis om. In de eeuwenoude grotten van Ellora, werden de muurschilderingen wel heel amateuristisch gerestaureerd. Mannen die ook maar de minste interesse leken te hebben in het culturele erfgoed (waarvan ook Unesco melding doet) en er meer uitzagen als verveelde stratenmakers, kunstelden er hier en daar wat kleur bij, zodat in ieder geval voor het blote leken oog alles weer in tact was. Niets is wat het lijkt. In de oude stad Varanasi, waar talloze Indiërs komen voor een reinigend bad en vele ouderen komen om te sterven, en zo direct verlost te worden van de cirkel van wedergeboorte, was het niet de dood die mij het meest fascineerde. Wat me aansprak was het leven. Een klein kind dat zich eindeloos vermaakt met het beklimmen van de trappen, om een klein kaarsenbakje te vullen met water en zijn engels met ons te oefenen. De kinderen die op en in de ghats vliegeren en cricket spelen, de koeien die gewassen worden naast de mensen, honden die water drinken, een kapper die zijn werk doet, een vader met zijn kind die een kaarsje het water op laten varen, hindoes die puja doen en kinderen die poeder en ansichtkaarten proberen te verkopen aan toeristen. Een wat oudere Indiase vrouw van hogere kaste dacht er precies zo over. Ze had een aantal jaar in Noorwegen gewoond, op uitnodiging van haar geëmigreerde zoon die zijn moeder op leeftijd een beter leven gunde. Ontstelt deed ze ons verslag van haar kijk op de westerse wereld; 'Alle dagen waren er zo saai en er waren helemaal geen mensen op straat. Uit pure verveling heb ik de luxe achter gelaten en ben ik terug gegaan naar mijn land.'
Dat water niet alleen prachtig, maar ook levensgevaarlijk kan zijn, leerden we in Nagarjunakonda. Genietend van de vallende avond zaten we aan de oever, op een partij rotsen. Tot zover was het idyllisch. Plotseling voelde Marjolein iets nats op haar onderrug, als de snuit van een hond. Een Indiaas jongetje van een jaar of acht die ons gespot had, wees met grote angst in zijn ogen achter Marjolein. In eerste instantie zag ik niets, maar na een tweede blik, iets lager, gilde ik het uit: 'een slang, een slang'. Terwijl ik versteend bleef zitten was Marjolein in enkele seconden al meters verderop. Een wat oudere man, wonend bij de nabijgelegen tempel, inspecteerde Marjolein's rug zorgvuldig, voortdurend vragend 'no bite?' Wat zou er dan gebeuren als ze wel gebeten was, vroegen we? 'Then you die', was het onheilspellende antwoord van de man. Diezelfde avond verbaasde het jongetje ons opnieuw, op een heel andere manier. We waren op bezoek bij diezelfde tempel. Omdat er gedurende de nacht om het uur rituele zang plaatsvond, trok hij onze aandacht en gingen we erheen. Een beetje argwanend genoten we van ons bezoek. Om ons heen mensen van alle leeftijden, baby's met hun moeders en bejaarden. Allemaal zongen ze of speelden ze een instrument. Na afloop werden we uiteraard gevraagd om te sponsoren. En uiteraard stelde dat ons teleur; opnieuw leek een mooi moment van intercultureel contact niet om het contact zelf gedraaid te hebben, maar om het geld wat je daar na afloop mee kan verdienen. Omdat het pikkedonker was en wij ons de slang nog maar al te goed herinnerden, stonden de mensen erop dat het jongetje ons naar het hotel zou brengen. Geen zin hebbend in nog een onderhandelingspoging, wezen we het aanbod af. Toch liep het jongetje mee. Geïrriteerd boden we hem het hoogstwaarschijnlijk verwachtte geld aan. Hij wees het af, met de woorden 'no, no money'. Wederom, niets is wat het lijkt.
In Kajuharo bij de Kamasutra tempels raakten we in gesprek met een Anglo Indiër en zijn vrouw. De vrouw had vijf tips voor ons; kom met een man, draag een ring, lach niet, probeer geen Indiase vrienden te maken en zoek geen oogcontact. Zij waren al 5 keer in India geweest, en het land bleef hen verbazen. Vandaar waarschijnlijk ook hun gezonde dosis scepticisme. Zij vertelden elke keer wat nieuws te zien. Ook loonde het volgens hen om in verschillende leeftijdsfases het land te bezoeken. Om te kijken wat je veranderend wereldbeeld met je blik op India deed én om te zien wat de invloed is van eerdere ervaringen met het land op een terugkeer enkele jaren later. Omdat de Indiase cultuur als buitenstaander zo moeilijk te doorgronden is, heb je eigenlijk een heel leven nodig om India te ontdekken. Dat ben ik zeker met ze eens. Maar een heel leven India zou me ook tempel moe maken. Een mens kan maar een beperkte hoeveelheid schoonheid zien in één keer. En na zes maanden ondergedompeld te zijn in religie en armoede zie ik naast de verschillen vooral ook de gelijkenissen met het Westen. Religieus of niet, arm of rijk; in elke situatie kan je een tevreden en goed mens zijn. Armoede of het gebrek aan religie hoeft daarin geen belemmering te zijn.
III. Naar huis gaan
Na pagina's vol anekdotes met wat je zoal meemaakt als je een halfjaar meeleeft in India, lijken noemenswaardige ontmoetingen haast als vanzelf naar je toe te komen. Dat je nooit ergens vanuit kan gaan leerde ik in één van de laatste dagen van mijn leven in een andere cultuur. Al voel ik me na bijna zes maanden in India niet zo, toch loop ik als een westerse toerist door de straten van Mumbai. Alles om me heen nog één keer diep in me opzuigend, om me later altijd weer te kunnen herinneren hoe gaaf het was om op deze plek te zijn en voor altijd te kunnen zeggen 'maar ík ben daar geweest'. Heeft India mij veranderd? Ik weet het niet. Ik voel me er wel erg relaxed, ik ken het ritme van het leven daar en ben iets dichter in de cultuur doorgedrongen dan de gemiddelde toerist. We kunnen onderhandelen tot een redelijke prijs, we kunnen de laatste Bollywood hits meezingen, we hebben een favoriete acteur, we kunnen ons hoofd schudden op zijn Indiaas, we kunnen goed met onze handen eten, we kennen de namen en kenmerken van de belangrijkste goden, hebben leren leven met luizen, kakkerlakken en andere ongemakken, kunnen zonder irritaties maar juist heel tevreden vijf uur op een trein wachten, gehurkt zitten en we kunnen de vele talen van elkaar onderscheiden. Maar boven alles is het me gelukt om me niet meer vreemd te voelen in deze wereld die in alle opzichten anders is dan de mijne. En dat geeft een heel machtig gevoel. Je hebt niet veel nodig om je gelukkig te voelen. Het kan overal. Terwijl ik volop probeer ervoor te zorgen dat alles me bijblijft, overkomt me iets wat me werkelijk bijblijft. Op het trottoir zitten twee zwervers, meer romantisch en zeker meer realistisch ook wel 'pavement people' genoemd. Een man en een vrouw. Ik schat ze een jaar of veertig. Vol overgave kamt de man het haar van de vrouw, met een kapotte oude kam. Wanneer hij me opmerkt, kijkt hij me aan met een stralende lach en roept me na 'my wife, inside diamont'. Een mens die volgens alle maatschappelijke maatstaven verder van me afstaat dan wie ook, maar niemand met wie ik me meer verbonden voel op dat moment dan met hem. Hij ziet wat ik zie, en geeft er woorden aan.
Hoewel je er volgens mij niet aan ontkomt als blanke westerling, blijf je in de ogen van de meeste Indiërs een zakje met geld. Dat je soms ook net ietsje meer opgenomen word in hun wereld, laten talloze andere ervaringen zien. Blank zijn staat in India ook vaak gelijk aan christelijk. En dat heeft als voordeel dat gesprekken over religie, de aard van het leven en het doel van ons bestaan nooit ver weg zijn. Naast al het natuurschoon en de tempels, geven vooral de Indiërs kleur aan India. En mocht je daar aan twijfelen, dan hebben ze hun sari's om het te bewijzen. Je thuis leren voelen in een andere cultuur, betekent ook opnieuw wennen aan je eigen cultuur. De agenda loze maatschappij die India is, en het belang dat gehecht wordt aan simpele dagelijkse activiteiten zoals thee drinken, kletsen met familie en vrienden en genieten van het uitzicht miste ik terug in Nederland al gauw. Terwijl ik met mijn hoofd nog meer in India was dan in Nederland waren veel mensen al nieuwsgierig naar mijn toekomstige reisplannen. Misschien is het wel mijn lotsbestemming om te reizen, vonden sommigen zelfs. Eigenlijk dacht ik daar niet gelijk over na; het nummer één land op mijn lijstje had ik immers net gezien. Al sinds mijn zestiende wilde ik naar India, het land van twee miljoen goden waar één zesde van de wereldbevolking leeft. Maar ook was er tijdens mijn reis door India een nieuwe nummer één geboren. Een land waar ik tot dan toe eigenlijk nauwelijks iets van wist. Maar aan de andere kant van de wereld zijn er ook andere dingen in het nieuws, lees je andere dingen in de kranten. Toen Tibet in de aanloop naar de olympische spelen van 2008 veelvuldig in het nieuws was en ik er door de gunstige ligging ten opzichte van India en de diepe vriendschappelijke relatie tussen beide landen steeds meer van hoorde, van steeds dichterbij, kon ik maar één ding denken: hoe kan het dat ik niets van Tibet en de Tibetanen weet? Ik werd steeds nieuwsgieriger naar het land. De Indiërs geloven dat je je lot niet alleen zelf maakt. In hun gecompliceerde sociale leven vol familieleden, tradities, goden en miljoenen landgenoten, bieden de sterren houvast. Tarot kaarten leggen en een horoscoop berekenen voorafgaand aan belangrijke beslissingen of levensgebeurtenissen is van wezenlijk belang voor Indiërs. Evenals bij de afwezigheid van religie, wordt er met verbazing gereageerd als je zegt dat je niet weet of je hier wel in geloofd. Maar ik weet niet of het wel toeval is dat ik sinds mijn bezoek aan India zo geïnteresseerd ben geraakt in Tibet. Want we belanden min of meer zomaar in boeddhistische plaatsen na onze eerste ontmoeting met een boeddhist in Ellora. Gewoon, omdat ons dat wel aardige mensen leken en we toch iets van een doel aan onze reis wilden geven. Dus na een quickscan van de Lonely Planet werd dat het bezoeken van de belangrijke plaatsen in boeddha's leven. Een boek wat we trouwens niet eens mee wilden nemen, maar dat in het boyshome in Chennai toch niet gebruikt werd. Zo zie je maar.
Geschreven door Eefje Cobussen